|
De ggz worstelt met de palliatieve terminale zorg. Het ontbreekt aan kennis over goede palliatieve zorg en hulpverleners die met stervende patiënten te maken krijgen, moeten vaak zelf het wiel uitvinden. Dat blijkt uit een studie van het Trimbos-instituut.
Nee, onderzoeksleider Anne Margriet Pot van het Trimbos-instituut is niet echt verbaasd over de resultaten van het onderzoek naar de palliatieve terminale zorg in de ggz. ‘Dat onderwerp was eigenlijk meer een black box en door dit – exploratieve – onderzoek is duidelijk geworden hoe het met deze zorg is gesteld.’
Veel inzet, weinig kennis Het onderzoek laat zien dat ggz-medewerkers die in instellingen te maken krijgen met patiënten die binnen afzienbare tijd zullen sterven, daar veel energie en ook eigen tijd in steken. Tegelijkertijd is duidelijk dat aan de palliatieve terminale zorg nog heel wat te verbeteren valt. Zo ontbreekt het aan kennis over palliatieve zorg. De ggz kent ook geen methodiek rondom palliatieve terminale zorg, in tegenstelling tot andere sectoren. Er wordt bijvoorbeeld nauwelijk geïnventariseerd wat de wensen en behoeften van patiënten zijn. Daardoor weten ggz-medewerkers niet wat ze moeten doen als ze te maken krijgen met een terminale patiënt.
Scholing ‘Opleiding en scholing over dit onderwerp zou er snel moeten komen’, vindt Anne Margriet Pot. ‘Die zou zich heel praktisch kunnen richten op tips voor de communicatie met patiënten die terminaal zijn. We streven er naar de kennis die met dit onderzoek is opgedaan, verder te verspreiden. Daarom proberen we op korte termijn een publieksuitgave van het onderzoek uit te brengen. Want alleen al uit de vele voorbeelden die we uit de praktijk hebben gehoord, is veel te leren.’
Te snel overgeplaatst Behalve het ontbreken van een duidelijke methodiek, blijkt dat ggz-werkers slecht op de hoogte zijn van het bestaan van palliatieve netwerken en de mogelijkheden die er zijn om extern hulp en financiering te zoeken. Daardoor komt het nogal eens voor dat een patiënt die ernstig ziek wordt, snel wordt overgeplaatst naar elders. Zo verlaat hij zijn vertrouwde omgeving waar hij vaak jarenlang verbleef, terwijl dat soms gemakkelijk te voorkomen is door de inkoop van extra zorg, of door de inzet van vrijwilligers of familie.
Somatische zorg Het onderzoek is uitgevoerd op initiatief van Agora, het landelijk ondersteuningspunt palliatieve zorg. Beleidsmedewerker Marijke Wulp is blij dat het accent ligt op ervaringen uit de praktijk. ‘Die maken duidelijk dat er in de ggz niet systematisch wordt omgegaan met palliatieve zorg’, zegt ze. ‘En dat gaat verder dan alleen maar de zorg in de terminale fase. In de regel is er in de ggz weinig aandacht voor de somatische zorg aan patiënten. Daardoor wordt vaak veel te laat gesignaleerd dat iemand ernstig ziek is. Het zou zo veel schelen wanneer dat eerder duidelijk is! Dan kun je ook veel eerder pijn en andere symptomen draaglijk maken. Goede palliatieve zorg kan soms wel drie jaar duren. Door systematisch meer oog te hebben voor lichamelijk onderzoek valt veel lijden te besparen.’
Achterstand De ggz loopt achter bij andere sectoren in de zorg, vindt ook Marijke Wulp. De verstandelijk gehandicaptenzorg maakt al veel meer gebruik van consultatieteams, of van ‘vliegende keeps’ die tijdelijk ondersteuning bieden aan een terminale cliënt. ‘Ook met de inzet van vrijwilligers loopt de ggz achter. Op de een of andere manier wil dat maar niet lukken, terwijl dat in andere sectoren veel minder problemen geeft. Hospices voor palliatieve terminale zorg draaien ook voor een belangrijk deel op vrijwilligers.’ (SvD) |